woensdag 2 maart 2011

Journalistiek

Ik dacht dat dit het was. Dat ik hier later mijn geld mee zou gaan verdienen. Ik dacht echt dat ik de juiste keuze had gemaakt, dat ik goed zat op de FHJ. Ik maak mijn keuze, kies voor de journalistiek, ga op intro-kamp, leer geweldige, lieve mensen kennen en ik ga vol goede moed de eerste periode in. Ik heb veel gelachen, maar die brede glimlach verandert in tranen in de eerste tentamenweek. Niets gehaald, en zelfs voor Nederlands ongelofelijk gefaald. De twijfels komen. "Zit ik hier goed? Is dit het?" Ik moet het niet opgeven, zegt mijn omgeving, want ik schrijf zo leuk. Met leuk schrijven red ik het niet op deze school, maar dat weet ik nog niet. Nog steeds met twijfel ga ik de tweede periode in. Ik moet verslagen schrijven. Ik haal deze periode net aan, maar ik heb het gehaald. Net nu ik weer een beetje in mezelf begin te geloven -misschien kan ik het dan tóch- begint de tweede tentamenweek. Ik heb er net drie gehad, en ik word weer met mijn neus op de feiten gedrukt: je faalt Iris, je faalt.
Het huilen staat me nu nader dan het lachen. Morgen Nederlands en Engels. Ergens denk ik nu: "geef het maar op, Ier. Je haalt het toch niet." Ik weet niet of het nog nut heeft. Ik ben bang om te falen, voor de vierde keer deze week. Maar ergens, diep in mijn hart wil ik dit. Ik wil lachen, schrijven, lezen.. Ik wil journalistiek. Ik wil die vervelende kutjournalist worden die mensen lastigvalt. Ik wil het allemaal. En daarom ga ik het doen. Ik ga Nederlands halen. Ik ga me verdiepen in woordregels, interpunctiefouten, werkwoordspelling en stijlfouten tot ik het kan dromen. Ik heb deze week al drie keer gefaald. Drie keer is scheepsrecht. Morgen mag er niet gefaald worden. En als ik toch faal is het dringend tijd voor een nieuwe opleiding, want met leuk schrijven red je het écht niet op de FHJ.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten